|
Geschreven door Sander de Bruyn en verschenen in Trouw op 23-02-2010
-
dinsdag, 23 februari 2010, 06:00
|
|
De klimaatonderhandelingen in Kopenhagen hebben niet het gewenste resultaat opgeleverd. De EU heeft zelf de mislukking onderstreept door af te zien van de geplande aanscherping van haar emissiedoelen. En dat is jammer: juist nu de aandacht voor de klimaatproblematiek tot ongekende hoogte is gestegen, lukt het de regeringsleiders niet om dat in concrete beleidsdoelen om te zetten.
De vraag dringt zich op waarom het klimaatprobleem zo hardnekkig lijkt te zijn en wat daar aan te doen is. Technisch gezien is er eigenlijk geen probleem. Met een mix van energiebesparing, duurzame energie, overschakeling op elektrische auto’s en CO2-opslag kunnen we de CO2-uitstoot binnen enkele decennia met 90 procent verminderen. Ook financieel kan het. Als iedereen overal ter wereld één jaar afziet van loonsverhoging, levert dat genoeg op voor de investeringen die ons voorgoed van het klimaatprobleem verlossen. Het knelpunt is echter de organisatie van de oplossing. De oplossing van het klimaatprobleem vereist internationale samenwerking, maar dat staat haaks op het mondiale economische systeem dat vooral is gebaseerd op concurrentie. Landen en bedrijven concurreren met elkaar voor grondstoffen, afzetmarkten en welvaartsgroei. Zolang de aanpak van de klimaatverandering synoniem blijft met extra kosten en dus met concurrentienadeel, zal de oplossing in de praktijk ernstig worden belemmerd. Het is daarom nodig een manier te bedenken waardoor klimaatbesparende maatregelen geen concurrentienadeel maar concurrentievoordeel bieden, gebruikmakend van het marktmechanisme. In een wereld die vooral in economische termen redeneert, moet de klimaataanpak uiteindelijk ook via de portemonnee lopen. Daarom moet de CO2-uitstoot duidelijk en herkenbaar tot uitdrukking komen in de prijs van producten en diensten, op alle niveaus van de besluitvorming in het economisch systeem. Dit kan door de invoering van een nieuw type belasting, die we de belasting op de Bruto Toegevoegde Koolstof (BTK) zullen noemen.
|
|
Geschreven door Albert Cath en verschenen in de Volkskrant op 22-12-2009
-
dinsdag, 22 december 2009, 06:00
|
Wie de klimaatverandering als politiek vraagstuk wil begrijpen, moet zijn oor op tenminste drie niveaus te luister leggen. Allereerst in Kopenhagen. De tienduizenden aanwezigen, van staatshoofden tot demonstranten, toonden een intense betrokkenheid bij het klimaatprobleem. Ook al viel het resultaat tegen, het was bijna heroïsch om te zien hoe regeringen probeerden boven zichzelf uit te stijgen omwille van een groot en serieus langetermijnprobleem. Maar de mondiale overeenstemming is beperkt en broos. Na terugkeer uit Kopenhagen wacht bovendien thuis het gewone politieke klimaat. Dat wordt in Den Haag al jarenlang gekenmerkt door een wankel vertrouwen van burgers in de politiek. Politici durven niet teveel te beloven en niet te ver vooruit te kijken. Deze ad hoc-sfeer verdraagt zich moeilijk met de langdurige transitie naar een koolstofarme samenleving waarvoor de klimaatverandering ons stelt. De burger, het politieke bestuur en het bedrijfsleven lijken gevangen in een vicieuze cirkel van wantrouwen, ongeduld, afwenteling, gezagserosie en teleurstelling, met als uitkomst desinteresse in de langetermijntoekomst. Om uit die vicieuze cirkel te komen, moeten we stilstaan bij de sleutelfiguur in veel beschouwingen over de staat van de politiek: de burger. Politici voeren de burger vaak aan als excuus om niets te doen, en bedrijven doen hetzelfde met de consument. De kiezer zal de maatregelen niet accepteren en de consument wil er niet extra voor betalen, zo luidt steevast het argument. Maar daarmee ontwijken politiek en bedrijfsleven hun eigen verantwoordelijkheid. Ze miskennen hun eigen macht om dingen te veranderen en anderen te overtuigen. Door de ‘onwillige burger’ als excuus aan te roepen, belonen ze in feite onwil en cynisme, en straffen ze geëngageerde burgers af die juist wel iets willen doen. Toch zijn er heel wat betrokken burgers en bedrijven die niet hebben gewacht op Kopenhagen of Den Haag, maar zelf aan de slag zijn gegaan met een eigen klimaatstrategie.
|
|
Geschreven door Dirk Sijmons en verschenen in de Volkskrant op 17-12-2009
-
donderdag, 17 december 2009, 06:00
|
|
De klimaatconferentie in Kopenhagen nadert haar climax. Terwijl regeringsleiders zich opmaken om al dan niet een verdrag te sluiten, is het goed om scherp op het netvlies te krijgen om wat voor type probleem het gaat. De mensheid heeft in twee eeuwen tijd zoveel broeikasgassen uitgestoten dat de aarde opwarmt. Voor de gevolgen wordt terecht gevreesd. We zouden het graag anders zien, maar ontkenning is inmiddels een levensgevaarlijke gok. In Kopenhagen wordt onderhandeld over een mondiale reductie in de uitstoot van broeikasgassen van 20 tot 30 procent in 2020. Hoe we dat het beste kunnen doen, hangt mede af van de typering (of framing) van het probleem. Is klimaatsverandering een groot uitgevallen milieuprobleem? Dan kunnen we het aanpakken met vertrouwde milieumaatregelen zoals het vaststellen van maxima voor de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen. We volgen het succesvolle voorbeeld van de CFK-ban. Nadat wetenschappers het verband tussen deze drijfgassen en het gat in de ozonlaag hadden aangetoond en de milieubeweging de noodklok had geluid, kwamen regeringen in actie en werd het bedrijfsleven aangespoord om onschadelijke alternatieven te ontwikkelen. Of is het een energieprobleem? CO2-uitstoot wordt grotendeels veroorzaakt door het verbranden van fossiele brandstoffen, die ook in een ander opzicht problematisch zijn: ze worden in de loop van de 21ste eeuw steeds schaarser. Ook zonder klimaatprobleem moeten we snel op zoek naar andere, CO2-vrije energiebronnen. Het klimaatprobleem raakt hiermee aan de kern van de samenleving en de economie. Fossiele brandstoffen zijn vrijwel synoniem met economische ontwikkeling, en bij de onzekere overgang naar een all-electric tijdperk staat extreem veel op het spel. Iedere sector moet veranderen, met behulp van nieuwe technieken en aangespoord door vergaande economische en fiscale maatregelen. Of is het, in de derde plaats, een verdelingsprobleem? Het rijke deel van de wereld is veruit de grootste veroorzaker van het probleem, terwijl de gevolgen het hardst aankomen in het arme deel. In deze optiek is het begrijpelijk dat ontwikkelingslanden en opkomende economieën nog een flink CO2-quotum eisen, terwijl het westen een groot deel van de kosten draagt. Alle drie snijden deze typeringen hout, maar geen ervan kan het klimaatprobleem volledig typeren. Ze schieten ook te kort als basis voor werkelijke oplossingen. De meest omvattende diagnose is dat het klimaatprobleem deel is van wat we het footprintprobleem kunnen noemen. Het menselijk gebruik van de aarde overschrijdt de draagkracht van onze planeet. We teren in op de aarde. De symptomen zijn, naast klimaatverandering, onder meer biodiversiteitverlies, zoetwaterproblemen, stervende kustzeeën en uitputting van cruciale hulpbronnen. Elk hiervan schreeuwt om een oplossing en ze zijn ook onderling verbonden. Zelfs de schijnbare oplossing van het ene probleem kan het andere probleem verergeren, met als pervers voorbeeld het afbranden van tropisch regenwoud om er palmolieplantages voor biodiesel te vestigen.
|
|
Print
- Stuur door |
|
Reactie toevoegen